Bevroren tranen

‘Hoe lang kan iemand schuilen voor de angst die niemand ziet, hoeveel kan iemand huilen om groot immens verdriet…’

uit: lied Bevroren tranen

In de stromende regen liepen we achter de gids aan naar het voormalig kampterrein van doorgangskamp Westerbork. De gids zou ons gaan vertellen wat zich hier had afgespeeld, hier op deze vlakte, waar lupines uitbundig bloeiden. Hij zou ons het verhaal vertellen dat we grotendeels kenden, maar toch ook weer helemaal niet. Het verhaal leek nieuw, alsof we het voor de eerste keer hoorden, het kon gewoon niet waar zijn, het was te gruwelijk, zo zijn mensen niet toch…

Zo zijn mensen in ieder geval nooit bedoeld. De stromende regen paste bij het verhaal, een verhaal van eindeloos veel tranen. Maar ook een verhaal van mensen als de Joods-Nederlandse schrijfster Etty Hillesum die ondanks alles bleef geloven in mensen, in het goede, in liefde en vriendschap.

In de hal van het museum staan twee fauteuils, op het tafeltje ervoor een dik boek, dat door zou kunnen gaan voor een bijbel, met de namen van alle 107.000 mensen die vanuit Westerbork op transport werden gezet. 5000 van hen keerden terug. Vanuit de fauteuils is zicht op een monument, ‘Bevroren Tranen’, twee glazen druppels (tranen) op marmeren sokkels. De glazen tranen staan symbool voor het verdriet van alle gedeporteerden.

Het monument is geïnspireerd op het lied Bevroren tranen waarvan de titel werd ontleend aan een gedicht uit de vroege 14e eeuw. In dit gedicht is het verdriet zo groot dat het zich niet meer kan uiten; zelfs de tranen zijn bevroren.

Tineke Vroegindeweij