Ik wankel niet, want Hij staat vast:
Mijn toevlucht, als het water wast,
Mijn rots, mijn enige vertrouwen.
Uit: Mijn ziel is stil tot God mijn Heer (LB 62)
Ik zal een jaar of zes geweest zijn toen ik mijn eerste zwemlessen kreeg. Wat wás ik bang. Tijdenlang zat ik op het trappetje van het zwembad. Ik wilde wel, maar ik durfde niet. Dat lichtblauwe stuk, dat ging nog wel. Maar dat donkerblauw, dat dreigende donkerblauw van het diepste bad …
De badjuf had het al streng geprobeerd, met haar grote haak in haar handen. De dunne badmeester had me al aangemoedigd. Maar nog steeds lukte het niet.
Toen was daar de dikke badmeester. Hij gaf me een knipoog en liet me op zijn rug zitten. Het hele zwembad zwom hij door, wel een paar keer. En ik zat veilig op zijn rug. Net zolang tot ik erop vertrouwde dat ik niet zou verdrinken, dat het water me niet naar beneden zou sleuren – al stond het me tot aan de lippen.
En later. Telkens als het eng werd, hoefde ik alleen maar naar die badmeester te kijken om te weten dat het heus kón, dat ik niet zou verdrinken.
God, als ik bang ben voor het woeste water, en niet meer weet hoe ik moet zwemmen,
wilt u dan mijn badmeester zijn?
God, als het water me tot aan de lippen staat, en ik denk dat ik zal ondergaan, wilt U dan mijn toevlucht zijn,
mijn rots en mijn vertrouwen?
Uit: Iedere dag een nieuw begin
Chris Meijer